Klaus Prange (2)

.

Wat beweert Klaus Prange (2)

Klaus Prange is professor Algemene Pedagogiek aan de Universiteit van Tubingen. Prange noemt de steinerschool een ‘Mogelpackung’, wat zoveel wil zeggen als bedrieglijke verpakking of bedotterij. Hij onderbouwt zijn kritische uitlating aan de hand van drie stellingen  (vrije vertaling).

“Steiners grondgedachte is tegelijk simpel en hoogst abstract.
Hij heeft een oeroud archaïsch beeld uit het begin van de mensheid opgenomen en modern weergegeven. De individuele mens is een kosmos in het klein. De kosmos een mens in het groot. Dat is niet als beeld bedoeld dat ook anders zou kunnen zijn, maar het is werkelijk zo. Er is een fundamentele relatie tussen het vergankelijke hier en het eeuwige en de kosmos daar. Men kan over en weer gaan. Zoals we ons als mensen herkennen met hoofd, romp en ledematen, zo is de hele wereld. En kijken we naar zon, maan en aarde en sterren, planten en dieren, dan herkennen we onszelf.

In zijn autobiografie met als titel ‘Mein Lebensgang’ heeft Steiner beschreven hoe hij tot zijn inzichten is gekomen. Of beter: hoe het wereldgeheim zich aan hem ontsluierde en hem gegeven was.”

Ik merkte eerder op: wanneer aan waarnemingen begrippen worden toegevoegd, weten we alleen nog maar dat de toevoeger zijn begrippen heeft toegevoegd. Die zijn vooralsnog subjectief.

M.a.w.: We weten nu alleen hoe en wat  Prange denkt.

Met een zekere stellige objectiviteit poneert Prange zijn stelling: “Steiners grondgedachte IS”, terwijl Prange eigenlijk alleen nog maar zijn eigen gedachten uitspreekt; wat hij VINDT dat Steiners grondgedachte is.
Deze beleeft Prange als “simpel en abstract”.

Over “hoe simpel en abstract” wordt weinig meegedeeld.

Alles ademt een sfeer van:“dit en dat is bij Steiner te vinden”.

Ja, en? Dat er mensen zijn die in de mens een duidelijke drieledigheid zien, heeft niets te maken met hun door Prange veronderstelde geestesgesteldheid:  “verlatenen en teleurgestelden,  zinzoekers en thuislozen,”
maar alles met het feit dat deze mensen op zoek zijn naar de waarheid.

Ik reken me zelf daartoe ook. En het zal altijd gaan om de vraag: zijn wij slechts materie; zijn wij ons brein; zijn wij hogere dieren enz. enz. of kunnen wij anders over mens en wereld denken, op grond van even reële waarnemingen, als die waarop “de” wetenschap berust.

Ook al bestaat er niet zoiets als “de” wetenschap, wat men onder wetenschap verstaat is toch over het algemeen de wetenschap van maat, gewicht en getal.

A.h.w. een natuurkundige wetenschap.

En het is een zegen dat die er is – ook Rudolf Steiner laat niet na, zich  bewonderend over deze vorm van wetenschap uit te spreken.

Deze vorm van wetenschap heeft veel goeds gebracht; ook veel slechts; maar dat schijnt bij de levenswetmatigheden te horen: waar licht is, is schaduw.

De meeste mensen die het over de wetenschap hebben, koesteren, vaak onbewust, de overtuiging: de(ze) wetenschap is de ware wetenschap.

Ze vergeten in dit uitspreken, dat ze eigenlijk geen natuurwetenschappelijke uitspraak doen, want de uitspraak: “de natuurwetenschap is de echte wetenschap” is geen natuurwetenschappelijke uitspraak, maar een geesteswetenschappelijke.

Ik ben altijd een groot voorstander geweest om bij het zoeken naar de waarheid open te staan voor iedere inbreng, die deze waarheid dichterbij brengt.

Maar of de natuurwetenschap alleen tot het wezenlijke van het menszijn kan doordringen, is voor mij nog altijd een grote vraag.

Voor mij hebben Steiners inzichten in de mens bijgedragen in het doordringen van het wezenlijke, maar zeker niet alleen  zijn inzichten.

Er zijn uiteraard en gelukkig meer grote denkers  die veel wezenlijks hebben bijgedragen aan de opvattingen over mens en wereld.

Als voorbeeld moge in dit verband dienen W.A.M. Luijpen, “existentieel filosoof” die in  zijn “God! Goddank! Godverd….! (uitg. Emmaüs 1972) schrijft over situaties van de mens, “op te vatten als situaties van de existentie, dus de mens als “existerende subjectiviteit”.

Hij zegt: “het is namelijk ook mogelijk de “mens”  niet  op te vatten als existerende subjectiviteit, en dan ook eigenlijk niet als  mens.”

Hij vervolgt: “wanneer een jongen zijn meisje “lief” noemt, noemt  hij haar aldus als existerende subjectiviteit. Maar hij kan haar ook tot een ingrediënt van de mechanica maken. Dat is het geval wanneer hij haar op de weegschaal zet. De weegschaal zegt: “negentig pond”. Dat zegt de weegschaal ook als er een zak zout van negentig pond op gezet wordt. De weegschaal kan niet zeggen: “lief”. Als ingrediënten van de mechanica zijn meisjes niet lief. Evenmin zijn mensen religieus als ingrediënten van de wetenschappen.”(blz 9)

En voor deze mechanica is het hart een pomp; de mens geen denkend, voelend en willend wezen.

Dat echter, zegt meer van de wetenschap, dan van de werkelijkheid.
(bij de “werkelijkheid lief” moet de mechanica zwijgen).

En zo ligt voortdurend op de loer dat de (natuur)- of materialistische wetenschap niet kan doordringen in de existentie mens.

En daarom zeggen de wetenschappers die deze wetenschap vertegenwoordigen, meer van zichzelf en hun wetenschap.

En op dit standpunt staand, lijken mij de woorden van Prange “simpel en archaïsch” nog niet veel verder te komen dan die van de “weegschaal”.

Prange gaat uitvoerig in op het zgn. “karakteriseren” en op “beeldend onderwijs”.

Prange maakt nauwelijks onderscheid tussen de verschillende vormen van “het beeldende” en door dat tekort, weet hij eigenlijk niet waarover hij het heeft.

.

Klaus Prange [1]   Klaus Prange [3]

VRIJESCHOOL – pedagogisch-didactische achtergronden

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s